Het ontstaan van gebergten
Geen berg is hetzelfde en het zelfde geldt voor de gebergten waar ze deel van uitmaken. Er zijn diverse soorten
gebergten met diverse steensoorten en klimaattypes. Over het algemeen maken we een onderscheid tussen jonge gebergten
en oude gebergten. In Europa zijn de Alpen en de Pyreneen goede voorbeelden van jonge gebergten.
De Alpen en Pyreneen zijn ontstaan door het botsen van Italie en Spanje tegen het Europese vaste land. De krachten
die hier mee gepaard gaan dwingen de aardkorst omhoog, waarbij plooiingen ontstaan. Hoe sneller deze botsing
plaatsvindt, des te steiler is het gebergte. Uiteraard speelt ook de grootte van deze zogenaamde aardschollen een
rol. Deze factoren tesamen bepalen de hoogte en karaktereigenschappen van het gebergte.
In de bergen kom je regelmatig kalkrotsen tegen. Vroeger maakten die bergen deel uit van de zeebodem of een rif.
De hardere steensoorten zoals graniet maakten waarschijnlijk deel uit van de aardkorst zelf. Graniet is minder
vatbaar voor erosie dan kalkrotsen. Dit is tevens de reden waarom je vaak graniet tegenkomt in steile rotswanden:
de kalkrotsen zijn al opgelost in de regen of rivier.
Een andere karaktereigenschap van een jong gebergte
zijn de steile pieken en diepe dalen. Erosie (de afbraak van de bodem als gevolg van weersomstandigheden,
zwaartekracht, rivieren en gletsjers) heeft minder tijd gehad om vat te krijgen op een jong gebergte.
Een heel ander type gebergte zijn de zogenaamde oude gebergten, al hebben deze vaak dezelfde ontstaanswijze.
Deze zijn overal in Europa te vinden:
het Spaanse hoogland, Appenijnen, Reuzengebergte, Duitse middelgebergten, Schotland en het Scandinavisch Hoogland.
Deze zijn al honderden miljoenen jaren oud en hebben veel te lijden gehad van erosie. Kenmerken zijn de afgeronde
toppen die je vaak tegenkomt in deze gebergten en relatief vlakke dalen die vaak ook breed zijn. In gebieden
met veel zachte rotsen, zoals bijvoorbeeld in de Gorges du Verdon in Frankrijk worden kloven uitgeslepen door
de rivieren. Daar waar de rotsen hard zijn zullen vaker hoogvlaktes gevormd worden, zoals in Noorwegen het geval is.
Er zijn echter destructievere krachten die op de rotsen in kunnen spelen waardoor zich toch kloven vormen.
Dit is ook in Noorwegen het geval: door de noordelijke ligging waren de gletsjers in de ijstijd enorm. Deze
hebben zich een weg gedrongen door de gebergten en hier diepe en soms brede fjorden uitgeslepen. De diepste
fjorden zijn meer dan 1200 meter diep, terwijl de bergen aan de randen hiervan wel 1800 meter hoog kunnen zijn.
Bovenaan deze bergen liggen vaak uitgestrekte hoogvlakten, zoals de Hardangervidda of het Finnmark-plateau.
De Duitse middelgebergten zoals de Harz, Rothaargebirge, Sauerland en Eifel vormen samen met de Ardennen en
Vogezen het traditionele binnenland van Europa en behoren tot de oudste gebergten ter wereld. De Ardennen en de Eifel
hebben ook een vulkanische oorsprong, evenals het Centraal Massief in Frankrijk. De erosie die in deze oude gebergten
plaats heeft gevonden hebben Nederland, Vlaanderen en Noord-Duitsland gevormd, maar er ook voor gezorgd dat de Noordzee
tussen Nederland en Engeland vrij ondiep is. Feitelijk is dit deel van de Noordzee een voortzetting van het laagland
waarvan Nederland deel uitmaakt. In de vorige ijstijd bestond de Noordzee ook nog niet.
Een andere vorm van gebergten zijn vulkanen. Voorbeelden hiervan zijn de Etna op Sicilie of de vulkanen van
IJsland. Iedere vulkaan heeft zo zijn eigen karakteristieken en vormt een unieke berg. Een van de bekendste vulkanen
is de Pico del Teide op Tenerife, welke de hoogste berg van Spanje vormt. Ook de Vesuvius, Mount Fuji en Mount St. Helen
zijn bekende vulkanen. Vulkanen groeien soms nog aardig aan. De Etna bijvoorbeeld groeit nog altijd door, waardoor Sicilie
steeds groter en hoger wordt. Ook IJsland en sommige Hawaiaanse eilanden groeien nog altijd als gevolg van de vulkanische
activiteit.
|
Vragen of suggesties? Stuur deze naar info (at) outdoorpiazza.net!
|
|
|